Welke specifieke culturele kenmerken plaatsen de onderscheiden groepen (Voyageurs, Manoesjen, Roms, Roma) onder dezelfde noemer
TIJDSBELEVING
Ze beleven de tijd hic et nunc. Ze gaan op in het nu-moment. Bijna kinderlijk. Op dit moment beleven ze ten volle wat nu gebeurt.
Zo zijn ze weinig aanspreekbaar over wat komen moet. Economische afspraken moeten wel gemaakt worden, maar die kunnen wijken voor wat er een dag nadien kan gebeuren. Want dit heeft altijd voorrang. Zo gaat het ook om inschrijvingen voor een feest, een vergadering,… Je weet nooit wat er straks zal gebeuren en dat op dat moment belangrijker zal zijn.
Hoe komt dit?
Een geschiedenis van nomadisme gecombineerd met constante dreiging heeft geleid tot een overlevings-cultuur: wat gisteren was is voorbij en wat morgen brengt zullen we wel zien. Je weet nooit of je niet zult weggejaagd worden. De plaats waar je nu bent, kan heel voorlopig zijn.
Een secundair kenmerk is : ze hechten zich niet aan ‘dingen’. Want op ieder moment kun je ’t nodig hebben die te gelde te maken.
Gevolgen
Zo een leven dat vooral gericht is op het hier en nu staat haaks op het planmatige dat typisch is voor de westerse maatschappij. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben op bijvoorbeeld
arbeid: soepel inspelen op opportuniteiten in de markt gaat vaak boven het gestructureerde leven in loonarbeid
onderwijs: voordelen die een diploma kan bieden, zijn pas op een te lange termijn zichtbaar en verliezen hun motiverende kracht
gezondheid: het belang van preventieve gezondheidszorgen moet voortdurend opnieuw benadrukt worden Voedingsgewoonten, alcoholverbruik, roken doen op dit moment deugd. Wat later de gevolgen kunnen zijn, daar hebben ze geen boodschap aan.
Reinheid
Heeft te maken met een familieverbondenheid, met het aanvoelen van hun eigenheid en accentueert sterk het onderscheid met de buitenwereld, de wereld van de burgers.
De buitenwereld is altijd een beetje verdacht, is onrein, telt minder mee.
De reinheid drukt zich ook uit in materiële dingen: welke voorwerpen je gebruikt, voor wat ze strikt genomen dienen, het voortdurend net houden van hun leefruimte. Bepaalde soorten voedsel eet je niet, want die zijn onrein. In de concrete beleving verschilt dit wel van groep tot groep. Maar burgers storen zich daaraan niet en zijn des te meer onrein in hun ogen.
ZIJ en WIJ
Zij beleven hun leven, hun wereld als tegengesteld aan deze van de burger.
Dit komt sterk tot uiting in hun manier van denken en doen. De contacten met de burgerwereld zijn dan ook louter economische contacten. Voor de rest hebben zij de burgerwereld niet nodig.
Het zal wel een typische reflex zijn van alle minderheidsgroepen als overlevingsstrategie. Maar dit maakt de integratiewil praktisch onbestaande. Laat staan dat ze burger willen worden.
Het heeft wel heel belangrijke gevolgen: “Wat wij doen, doen we beter. ‘Jullie in jullie wereld – daar bemoeien we ons niet mee- wij in onze wereld: bemoei jullie er ook niet mee’
Wij voeden onze kinderen op zoals wij willen. Opvoeden is vooral nabootsen. Doen wat je ouders doen. Vader, grootvader voor de jongens, moeder, schoonmoeder, voor de meisjes. Kinderen spelen niet, ze zijn aan het nadoen. Ze worden beschouwd als volwaardig. Ze krijgen nooit ‘neen’ te horen. De enige grens is als ze fysiek niet meer zichtbaar zijn. Naar school gaan is dubbel moeilijk: ze moeten hen fysiek uit het oog verliezen en daarenboven ze aan de burger toevertrouwen. Daar mogen ze niet zijn wie ze zijn: heb je honger, dan eet je. Moet je gaan plassen, dan ga je plassen. Zo doe je het thuis, zo heb je het thuis gezien. En opeens mag het niet meer…
Wij verdienen onze kost zoals we kunnen. Wat is het gat in de markt. Moet ik verkopen in Hongarije, dan ben ik weg daarheen. Liefst in de grijze zone, met zo weinig mogelijk verplichtingen en reglementen. Alleen als de represailles te groot zijn, ga ik een rijbewijs halen, Bedrijfsbeheer volgen: In deze kortstondige opleidingen liggen wellicht de kansen tot een vorm van naar school gaan?. . Wij hebben onze voedingsgewoonten en drankeigenheden
Wij wonen waar we willen (of kunnen wordt het veelal)
Wij gebruiken de burger waar het ons past. Om subsidies te krijgen, om een terrein te verwerven, om een pleisterplaats te bemachtigen, om aan te verkopen of te kopen..
Wij gaan wel uitmaken wat belangrijk is in het leven en wat niet.
Transcendent gevoel.
Er leeft onder hen een sterk transcendent gevoel.
Hadden ze een goeie economische dag, ging het voorspoedig in de familie dit moment, dan is dit niet het gevolg van eigen kracht, eigen vermogen of prestatie. Dan, hebben ze ‘chance’ gehad (in de west-vlaamse betekenis) Dan hadden ze gewoon geluk. Daarvoor ben je dankbaar en dit uit je in een belofte. Ik ga naar Lourdes, ik draag gedurende vijf maand geen blauw in mijn klederen, ik zal de kruisweg op mijn blote voeten doen, ik brand van nu af aan een noveenkaars in mijn woning (wagen)
Chance komt van bovenaan. Het is een fundamenteel religieus gevoel. Wat niet automatisch vertaald wordt in een godsdienst. Alleen is het beter de dominante godsdienst aan te nemen in het land waar je verblijft. Verander je van land, kun je best ook van godsdienst veranderen. Maar het niet vermelden of niet waarderen van dit religieus besef doet afbreuk aan hun eigenheid. Malchance kun je ook hebben. Dan kun je een kaars branden om de ander te vervloeken. Maar je hebt altijd het transcendente nodig.
Gelijkwaardigheid
Ze ervaren mekaar als gelijke. Iedere vorm van hiërarchie ontbreekt. Tegenover de burgerwereld spelen ze wel dat ze een koning hebben als ze daarmee speciale gunsten kunnen bekomen. Dit zal in het Belgenland wel een koning zijn, in Frankrijk een president. Dit aanpassingsvermogen voelen ze wel aan.
Iedere vorm van vertegenwoordiging is dus onbestaande.Ze moeten zich niet in verenigingen organiseren: ze hebben mekaar, ze zien mekaar voortdurend, het sociaal contact is geregeld. Als ze doorhebben dat aan een vereniging, een vzw voordelen te halen zijn: waarom niet. Maar wee diegene die dan die rol te serieus opneemt. Dan wordt die teveel burger en hoort er niet meer bij. Inbinden maar.
In de meeste groepen van Voyageurs en Roma is iedereen voor elkaar “gelijk”, d.w z : . dat niemand gezag over een ander kan uitoefenen. Men spreekt daarom over een egalitaire structuur.
De vier groepen hebben een nomadische cultuur. Dit wijst niet alleen op een mogelijk rondtrekken maar grijpt diep in de wijze van leven, van gehechtheid aan een plaats en woning. Hun vasthouden aan flexibiliteit in beroep en gebruik van tijd. Het is ook een vorm van zelfstandigheid en een gevoel van vrijheid die de samenleving hen nooit kan afnemen.
|